Versie van 13 februari 2005
Versie van 27 juni 2005

Wet op de Gerechtelijke Organisatie (13 februari 2005)

I. Inleiden van de rechtszaak

1. Elke inwoner van de Republiek Vlaanderen en elke privé- of staatsorganisatie kan een rechtszaak inleiden voor het Vlaamse Gerecht, voor zover één of meerdere partijen gedomicilieerd zijn in de Republiek Vlaanderen.

2. Diegene die de rechtszaak inleidt, wordt de eisende partij genoemd (EP).

3. Diegene tegen wie de rechtszaak ingespannen is, wordt de verwerende partij genoemd (VP).

4. Om een zaak in te leiden, dient de EP een nieuw onderwerp te starten in het subforum van de Rechtbank. De titel van het onderwerp moet als volgt opgebouwd zijn: X vs. Y, waarbij X de naam van de EP is en Y de naam van de VP.

5. Als de Staat partij is in een rechtszaak, wordt hij vertegenwoordigd door de openbare aanklager/verdediger. Deze wordt aangesteld door het Departement Justitie. Als de Rechter belangenvermenging vaststelt bij de openbare aanklager/verdediger, dan kan hij die ontzetten uit zijn functie en aan het Parlement vragen een nieuwe openbare aanklager/verdediger voor te dragen. Deze nieuwe openbare aanklager/verdediger is een stemgerechtigd lid van het Parlement of een raadsheer die beantwoordt aan de eisen uit art. 7.

6. Ook andere personen of organisaties kunnen vrijwillig tussenkomen in een rechtszaak. Zij posten daarvoor een bericht op het subforum van de rechtbank met hun motivatie. Als de rechter hen toestaat in de rechtszaak, zijn zij naargelang hun vraag een vrijwillig tussenkomende eisende partij (VTEP) of een vrijwillig tussenkomende verwerende partij (VTVP).

7. Elke partij kan zich laten vertegenwoordigen door een raadsheer. Deze raadsheer moet tenminste één maand voor het inleiden van de rechtszaak geregistreerd staan bij de Rechtbank.
Deze voorwaarde geldt niet in de eerste 50 dagen vanaf de inwerkingtreding van deze wet.
Elke burger kan zich mits betaling van 100 VDK per kalenderjaar laten registreren als raadsheer.

8. Als alle partijen gekend zijn, opent de Rechter het proces.
 

II. Verloop van het proces

9. In de eerste 48 uur na het openen van het proces, krijgt de EP de kans om zijn klacht uit te leggen en te funderen door het voorleggen van bewijzen.

10. In de 48 uur die volgen op het uitleggen van de klacht door de EP, krijgt de VP de kans om te repliceren op de door de EP geformuleerde klacht en op diens bewijzen. De VP krijgt dan ook de kans om zelf nieuwe bewijzen of argumenten voor te leggen.

11. In de 48 uur die volgen op de repliek van de VP, krijgt de EP de kans om op de door de VP voorgelegde bewijzen en argumenten te repliceren. Nieuwe bewijzen kunnen echter niet meer voorgelegd worden, behoudens uitdrukkelijke toestemming van de Rechter.

12. In de 48 uur die volgen op deze laatste repliek van de EP, krijgt de VP de kans om een laatste maal te repliceren op de stelling van de EP. Nieuwe bewijzen kunnen echter niet meer voorgelegd worden, behoudens uitdrukkelijke toestemming van de Rechter.

13. De vrijwillig tussenkomende partijen (VTEP en VTVP) krijgen in voorkomend geval de tijd (zoals de Rechter hen die toebedeeld heeft bij het begin van het proces) om te repliceren en te argumenteren.

14. Na de laatste repliek van de VP, worden de debatten gesloten en kan geen enkele partij nog tussenkomen. De debatten kunnen heropend worden door de Rechter, maar slechts na een uitdrukkelijke, met nieuwe feiten gemotiveerde vraag die uiterlijk de dag voor het vellen van het vonnis geformuleerd wordt aan de Rechter. Als de Rechter beslist om de debatten te heropenen, beslist de Rechter autonoom wie nog argumenten mag posten en hoeveel tijd die partij daar voor krijgt.

15. Als een partij niet in de mogelijkheid was om op het gepaste tijdstip te repliceren, dan kan die partij zich rechtstreeks tot de Rechter richten om alsnog de kans te krijgen te repliceren of te argumenteren. De partij dient zijn vraag aan de Rechter te motiveren.
 

III. Het vonnis

16. Uiterlijk de derde dag na het sluiten van de debatten moet de Rechter een vonnis vellen en het bekendmaken op het subforum van de Rechtbank.

17. Het vonnis moet voldoen aan een aantal voorwaarden om rechtsgeldig te zijn:
a. Het vonnis moet de identiteit van de partijen bevatten en hun hoedanigheid als eisende of verwerende partij.
b. Het vonnis moet vermelden of de aanklacht aanvaard wordt of niet. Indien de aanklacht aanvaard wordt, moeten de wetsartikelen waarop de aanklacht gebaseerd is, vermeld worden.
c. Ten slotte volgt de eventuele veroordeling. Naast de effectieve veroordeling kan de Rechter de veroordeelde partij ook veroordelen tot de eventuele kosten (o.a. voor een raadsheer) die gemaakt werden door de tegenpartij.

18. Elk vonnis dat geveld werd in een Vlaamse Rechtbank en dat rechtsgeldig is, moet binnen de twee maand na de bekendmaking voldaan zijn. Als dit niet het geval is, stelt de veroordeelde zich bloot aan een bijkomende veroordeling wegens ongehoorzaamheid aan de Rechter.

19. Naast die bijkomende veroordeling kan de Rechter bij het niet naleven van zijn vonnis binnen de gestelde termijn de bevoegde instanties opleggen om het vonnis gedwongen uit te voeren.

20. Elk vonnis kan slechts één maal uitgevoerd worden.
 
 

IV.De Beroepsprocedure

21. Ten laatste 3 weken na het bekendmaken van het vonnis door de Rechter kan een partij in beroep gaan tegen het vonnis. Het beroep moet officieel gemeld worden in een nieuw onderwerp in het subforum van de Rechtbank. Het nieuwe onderwerp moet beginnen met [beroep], gevolgd door de namen van de partijen in de volgorde zoals beschreven in art. 4.

22. Het Departement Justitie duidt voor de beroepsprocedure een andere Rechter aan dan de Rechter die het vonnis velde waartegen beroep werd aangetekend. Als er geen andere Rechter is, functioneert de Senaat als rechter. Zij nemen hun beslissingen bij gewone meerderheid. Senaatsleden die betrokken partij zijn, kunnen niet meebeslissen in de beroepsprocedure. Als de Senaat niet kan oordelen, wordt de beslissing doorgeschoven naar het Parlement.

23. Het verloop van het beroep is identiek aan het verloop van het proces zoals beschreven in art. 9 t.e.m. 15.

24. Tijdens de beroepsprocedure kunnen nieuwe bewijsmaterialen en nieuwe argumenten aangebracht worden, maar een nieuwe eis kan door geen van beide partijen gesteld worden. Voor nieuwe eisen dient een nieuw proces (in eerste aanleg) gestart te worden.

25. Het vonnis van de Rechter in beroep (of in voorkomend geval de Senaat of het Parlement) moet conform de voorwaarden van art. 16 t.e.m. 20 zijn. 



Wet op de Gerechtelijke Organisatie (27 juni 2005)

I. Inleiden van de rechtszaak

1. Elke inwoner van de Republiek Vlaanderen en elke privé- of staatsorganisatie kan een rechtszaak inleiden voor het Vlaamse Gerecht, voor zover één of meerdere partijen gedomicilieerd zijn in de Republiek Vlaanderen.

2. Diegene die de rechtszaak inleidt, wordt de eisende partij genoemd (EP).

3. Diegene tegen wie de rechtszaak ingespannen is, wordt de verwerende partij genoemd (VP).

4. Om een zaak in te leiden, dient de EP een nieuw onderwerp te starten in het subforum van de Rechtbank. De titel van het onderwerp moet als volgt opgebouwd zijn: X vs. Y, waarbij X de naam van de EP is en Y de naam van de VP.

5. Als de Staat partij is in een rechtszaak, wordt hij vertegenwoordigd door de openbare aanklager/verdediger. Deze wordt aangesteld door het Departement Justitie. Als de Rechter belangenvermenging vaststelt bij de openbare aanklager/verdediger, dan kan hij die ontzetten uit zijn functie en aan het Parlement vragen een nieuwe openbare aanklager/verdediger voor te dragen. Deze nieuwe openbare aanklager/verdediger is een stemgerechtigd lid van het Parlement of een raadsheer die beantwoordt aan de eisen uit art. 7.

6. Ook andere personen of organisaties kunnen vrijwillig tussenkomen in een rechtszaak. Zij posten daarvoor een bericht op het subforum van de rechtbank met hun motivatie. Als de rechter hen toestaat in de rechtszaak, zijn zij naargelang hun vraag een vrijwillig tussenkomende eisende partij (VTEP) of een vrijwillig tussenkomende verwerende partij (VTVP).

7. Elke partij kan zich laten vertegenwoordigen door een raadsheer. Deze raadsheer moet tenminste één maand voor het inleiden van de rechtszaak geregistreerd staan bij de Rechtbank.
Deze voorwaarde geldt niet in de eerste 50 dagen vanaf de inwerkingtreding van deze wet.
Elke burger kan zich mits betaling van 100 VDK per kalenderjaar laten registreren als raadsheer.

8. Als alle partijen gekend zijn, opent de Rechter het proces.
 

II. Verloop van het proces

9. In de eerste 48 uur na het openen van het proces, krijgt de EP de kans om zijn klacht uit te leggen en te funderen door het voorleggen van bewijzen.

10. In de 48 uur die volgen op het uitleggen van de klacht door de EP, krijgt de VP de kans om te repliceren op de door de EP geformuleerde klacht en op diens bewijzen. De VP krijgt dan ook de kans om zelf nieuwe bewijzen of argumenten voor te leggen.

11. In de 48 uur die volgen op de repliek van de VP, krijgt de EP de kans om op de door de VP voorgelegde bewijzen en argumenten te repliceren. Nieuwe bewijzen kunnen echter niet meer voorgelegd worden, behoudens uitdrukkelijke toestemming van de Rechter.

12. In de 48 uur die volgen op deze laatste repliek van de EP, krijgt de VP de kans om een laatste maal te repliceren op de stelling van de EP. Nieuwe bewijzen kunnen echter niet meer voorgelegd worden, behoudens uitdrukkelijke toestemming van de Rechter.

13. De vrijwillig tussenkomende partijen (VTEP en VTVP) krijgen in voorkomend geval de tijd (zoals de Rechter hen die toebedeeld heeft bij het begin van het proces) om te repliceren en te argumenteren.

14. Na de laatste repliek van de VP, worden de debatten gesloten en kan geen enkele partij nog tussenkomen. De debatten kunnen heropend worden door de Rechter, maar slechts na een uitdrukkelijke, met nieuwe feiten gemotiveerde vraag die uiterlijk de dag voor het vellen van het vonnis geformuleerd wordt aan de Rechter. Als de Rechter beslist om de debatten te heropenen, beslist de Rechter autonoom wie nog argumenten mag posten en hoeveel tijd die partij daar voor krijgt.

15. Als een partij niet in de mogelijkheid was om op het gepaste tijdstip te repliceren, dan kan die partij zich rechtstreeks tot de Rechter richten om alsnog de kans te krijgen te repliceren of te argumenteren. De partij dient zijn vraag aan de Rechter te motiveren.
 
16. Worden beschouwd als minachting van het gerecht:
a. Tussenkomsten van personen die geen spreekrecht hebben in de in behandeling zijnde rechtszaak;
b. Tussenkomsten op ogenblikken dat dergelijke tussenkomst niet is toegestaan;
c. Het negeren van bevelen en waarschuwingen van de Rechter.
Elke eerste overtreding kan door de Rechter naar eigen inzicht onmiddellijk bestraft worden met een boete ten bedrage van maximaal 100 VDK. In geval van een herhaalde overtreding kan de boete worden verhoogd tot maximaal 300 VDK. 

III. Het vonnis

17. Uiterlijk de derde dag na het sluiten van de debatten moet de Rechter een vonnis vellen en het bekendmaken op het subforum van de Rechtbank.

18. Het vonnis moet voldoen aan een aantal voorwaarden om rechtsgeldig te zijn:
a. Het vonnis moet de identiteit van de partijen bevatten en hun hoedanigheid als eisende of verwerende partij.
b. Het vonnis moet vermelden of de aanklacht aanvaard wordt of niet. Indien de aanklacht aanvaard wordt, moeten de wetsartikelen waarop de aanklacht gebaseerd is, vermeld worden.
c. Ten slotte volgt de eventuele veroordeling. Naast de effectieve veroordeling kan de Rechter de veroordeelde partij ook veroordelen tot de eventuele kosten (o.a. voor een raadsheer) die gemaakt werden door de tegenpartij.

19. Elk vonnis dat geveld werd in een Vlaamse Rechtbank en dat rechtsgeldig is, moet binnen de twee maand na de bekendmaking voldaan zijn. Als dit niet het geval is, stelt de veroordeelde zich bloot aan een bijkomende veroordeling wegens ongehoorzaamheid aan de Rechter.

20. Naast die bijkomende veroordeling kan de Rechter bij het niet naleven van zijn vonnis binnen de gestelde termijn de bevoegde instanties opleggen om het vonnis gedwongen uit te voeren.

21. Elk vonnis kan slechts één maal uitgevoerd worden.
 
 

IV.De Beroepsprocedure

22. Ten laatste 3 weken na het bekendmaken van het vonnis door de Rechter kan een partij in beroep gaan tegen het vonnis. Het beroep moet officieel gemeld worden in een nieuw onderwerp in het subforum van de Rechtbank. Het nieuwe onderwerp moet beginnen met [beroep], gevolgd door de namen van de partijen in de volgorde zoals beschreven in art. 4.

23. Het Departement Justitie duidt voor de beroepsprocedure een andere Rechter aan dan de Rechter die het vonnis velde waartegen beroep werd aangetekend. Als er geen andere Rechter is, functioneert de Senaat als rechter. Zij nemen hun beslissingen bij gewone meerderheid. Senaatsleden die betrokken partij zijn, kunnen niet meebeslissen in de beroepsprocedure. Als de Senaat niet kan oordelen, wordt de beslissing doorgeschoven naar het Parlement.

24. Het verloop van het beroep is identiek aan het verloop van het proces zoals beschreven in hoofdstuk II.

25. Tijdens de beroepsprocedure kunnen nieuwe bewijsmaterialen en nieuwe argumenten aangebracht worden, maar een nieuwe eis kan door geen van beide partijen gesteld worden. Voor nieuwe eisen dient een nieuw proces (in eerste aanleg) gestart te worden.

26. Het vonnis van de Rechter in beroep (of in voorkomend geval de Senaat of het Parlement) moet conform de voorwaarden van art. 16 t.e.m. 20 zijn.